Gaston Ribbens


Adres

Kinshasa - Congo

Leven en werk

Pater Gaston Ribbens is Redemptorist en werd priester gewijd op 26.12.1962. In 1963 vertrok Gaston voor het eerst naar Zaïre waar hij terecht kwam in Kimpese. Hier verbleef hij twee jaar om in hoofdzaak de inlandse taal te leren. In 1965 werd hij dan brousse pater in Kingoma. De mensen van Achterbroek herinneren zich deze periode nog wel toen er 400.000 fr. bijeen werd vergaard voor de aankoop van een hangar en een rijstpelmolen.
"De Brug" kwam met Gaston in contact in 1980. Toen verbleef hij in Kinshasa en was medeverantwoordelijk voor de priesteropleiding. Het was de bedoeling van Gaston dat zijn toekomstige priesters het opnamen tegen de verdrukking en de corruptie waar de Zaïrese maatschappij zo ziek aan is. Om deze reden zijn de seminaristen verplicht, tijdens de verlofpe-riode, zich ten dienste te stellen voor de plattelandsbevolking.
In 1987 werd Gaston visieprovinciaal en kreeg hij ook een nieuwe taak toegewezen. Vanaf dan heeft hij zich terug in het parochiële werk gestort.
Toen wij Gaston leerden kennen had hij zo direct geen project, maar aangezien de nood in een grootstad als Kinshasa zeer groot was, kwam hij snel onder de indruk van de grote mise-rie. Om in bepaalde gevallen wat leniging te brengen was onze steun hartelijk welkom.
In 1988 vroeg Gaston onze steun voor de aankoop van geneesmiddelen voor een sanatorium in Mbanza Ngungu. De geneesmiddelen zijn schaars en dienen door de zieken zelf betaald te worden.
In 1999 is Gaston definitief naar België teruggekeerd.

Brieven

Brussel - 29 april 2000

In augustus vorig jaar vierden de Redemptoristen hun eeuwfeest in Congo. Hoe ze hier kwamen is wel even de moeite waard te vertellen.
De grote ontdekkingsreiziger Stanley was een paar maal dwars door Congo getrokken en had de oneindige mogelijkheden van dat onmetelijke land ingezien. Maar er was een grote hinderpaal om het binnenland te bereiken en de koloniseren. Men kon wel de Kongostroom opvaren tot aan de grote stroomversnellingen voorbij Matadi, waar zich nu de grote eclectische centrales van Inga bevinden, maar dan werd de stroom onbevaarbaar tot het huidige Kinshasa. Stanley zei tegen Leopold II: Congo is geen cent waard als ge geen spoorlijn bouwt tussen Matadi en Kinshasa. Dan liet de koning maar een spoorlijn bouwen van 260 km. Een echt titanenwerk. Eerst moest men door de rotsketen heen uit de vallei van Matadi geraken. Verderop stootte men dan weer op het kristalgebergte. Het moest allemaal gebeuren met erg primitieve middelen in een streng tropisch klimaat waar nog niets bestond van infrastructuur. Er vielen enorm veel doden. Men stond nog helemaal machteloos tegenover malaria, slaapziekte en andere tropische toestanden. Soms wordt verteld dat elke dwarsbalk onder de rails het graf van een Afrikaan is en elke 100 meter het graf van een blanke. Misschien is het overdreven, maar het zal wel enorm geweest zijn.
Alles werd geleid door Belgen en daarvoor had men aalmoezeniers nodig. Die vond de koning bij de bisschop van Gent. Voor de duur van de werkzaamheden stond deze zes van zijn diocesane priesters af. Toen de werken gedaan waren trok de bisschop zijn priesters terug. Maar de koning had ook aalmoezeniers nodig voor het onderhoudspersoneel van de spoorlijn.
Iedereen weet ondertussen wel dat het allemaal niet zo mooi was in de onafhankelijke Congostaat, persoonlijk eigendom van Leopold II. En er waren enige Engelse protestantse missionarissen die de wantoestanden en gruweldaden aankloegen in Europa. Dat kon de koning best missen. Hij besloot het volledige onderwijs, medisch- en beschavingswerk aan de katholieke kerk toe te vertrouwen. Maar het moesten wel Belgische missionarissen zijn. Die Engelsen moesten er uit. Hij klopte aan bij alle Belgische religieuze congregaties. Maar velen stonden helemaal niet te trappelen om volk naar Congo te sturen. Zo ook de Redemptoristen niet, die pas een missie begonnen waren in de West-Indies. Toen de bisschop van Gent zijn priesters terugtrok fluisterde iemand de Redemptoristen in het oor om aan de koning te antwoorden dat ze bereid waren aalmoezeniers te geven voor de spoorlijn Matadi-Kinshasa. Zo konden ze altijd aan de koning antwoorden dat ze paters hadden in Congo, en wat ook belangrijk was, ze zouden nooit met meer dan zes moeten zijn. En zo gingen de eerste Redemptoristen naar Congo. Ze kwamen er toe op 2 maart 1899. Maar het bleef niet bij de spoorlijn met zes aalmoezeniers. Op die honderd jaar werden het er 245. Mensen die allemaal vertrokken met de bedoeling gans hun leven daar te blijven.
In 1981 sloten de eerste zwarte Congolezen bij ons aan. Ze werden priester gewijd in 1989. Nu zijn ze met 35. In de loop der jaren hadden de Redemptoristen ook het bisdom Matadi gesticht langs de spoorlijn. Dit bisdom heeft reeds 140 diocesane priesters.
Op 1 augustus 1999 hadden we dan een groots feest om onze 100 jaar Congo te vieren. We vonden dat het tevens een geschikt moment was om ons terug te trekken en alles over te geven aan de Congolese confraters. Zo ben ik dan in augustus definitief naar België teruggekeerd. Pater Hugo Gotink blijft voorlopig als enige niet-Congolees over. De eerste maanden, tot Kerstmis, heb ik hier te Brussel wat cursus gevolgd en daarna heb ik hier ook een taak gekregen.
Vorig jaar had ik nog een klein project om studenten te helpen en ook een klein project voor legkippen in Kinshasa. Het hok was vlug af. De Norbertijnen die regelmatig kuikentjes invoeren hadden er voor ons enige voorbehouden. Maar toen kwam de dioxinecrisis in België en Congo sloot zijn deuren voor alle vlees uit België. Ook voor kleine kuikentjes. Kinshasa viel gedurende maanden praktisch zonder vlees. In de Kempen is er ergens een grote kippenslachterij waar oude uitgelegde kippen van België en Frankrijk geslacht worden. De kippen komen massaal naar Kinshasa. Het is het goedkoopste vlees dat in Kinshasa te vinden is. Plots was het ook gedaan. Kinshasa zat zonder vlees. Ons plan voor legkippen kon voorlopig ook niet doorgaan.
Ik gaf het voorziene geld aan mijn vervanger en vroeg hem de zaak uit te voeren zodra het mogelijk zou zijn. Hij beloofde mij te schrijven zodra dat zou gebeurd zijn. Wel vroeg hij op een moment of hij er ook een kleine varkenskwekerij mee mocht bijvoegen. Daar het in dezelfde lijn lag vroeg ik hem alleen te laten weten wanneer het zou uitgevoerd zijn, zodat ik aan de Brug een verslagje kon geven. Ik kreeg nog geen nieuws, maar het is soms wel moeilijk. Ik heb nog wat geduld.. En dat is dan ook de reden dat ik zo lang wachtte u iets te laten weten. Ik hoop dat binnenkort te kunnen doen.
Toch wil ik u en alle mensen van de Brug nogmaals van harte danken voor de milde steun die ik bij jullie kon vinden gedurende jaren. Vele gewone kleine mensen werden er door geholpen. Voor vele studenten was het ook een steun in de rug wanneer ze bijvoorbeeld hun eindwerk moesten maken en ze geen geld hadden om het te laten uittikken en om de nodige vijf kopies te laten maken.
In naam van al die mensen: honderdmaal dank.

Correspondent: Jos Roosens

Kinshasa - 22 mei 1999

Zojuist krijg Ik het laatste nummer van de Brug toe. Het is het decembernummer. Dank.
Ik was enige weken thuis in verband met de ziekte van moeder. Zodra ze weer beter was ben ik terug vertrokken. We hebben mekaar dikwijls gezien in het rusthuis en er even gepraat. Mijn gedachten waren meer bij moeder. In het laatste nummer staat als project achter mijn naam: acute noden. Voor dit jaar zou ik het volgende voorstel willen doen. Ik zou graag de som die zou toegekend worden in twee delen.
1. Eén deel zou Ik willen gebruiken om studenten in nood te helpen. Studenten hier leven dikwijls gewoon in een overlevingssituatie. De profs worden praktisch niet betaald. Die verplichten nu de studenten hun syllabussen te kopen. Als men de syllabus bij de prof zelf heeft betaald, mag men deelnemen aan de toetsen, TP en examens. De studenten hebben het mes op de keel. Geen kwestie van een syllabus van een ander student of voorganger te gebruiken. Het tweede semester begint pas, maar verschillende studenten van de derde kandidatuur moeten praktisch afhaken omdat ze de syllabus niet kunnen kopen. Mag Ik de ene helft gebruiken om een paar echt arme studenten te helpen?
2. Het is van belang dat men leert mensen hun plan te trekken. We hebben op ons terrein hier tamelijk veel groen. Sedert twee jaar zijn we met onze seminaristen hier een kleine konijnenkwekerij begonnen. Na een jaartje zoeken marcheert dat nu goed. Graag wilden ze nu ook beginnen met enige legkippen. Zou Ik een tweede helft van het toegestane budget mogen gebruiken om dat miniproject mee te financieren?
Dank voor alle steun die we reeds mochten ontvangen van “De Brug”. Veel groeten aan alle “Bruggelingen” en veel goede moed voor het “ontbijt-aan-bed” van volgende zondag.

Correspondent: Jos Roosens

Kinshasa - 20 januari 1999

Een klein vervolg. Deze week hebben de troepen van Sassou het stadje Dolesie aangevallen, waarheen ze vorige maand de bewoners van het stadje Nkayi verdreven. Gisteren deed Sassou langs de radio een oproep tot de gewone bevolking om al die lijken overal in het land daar toch niet gewoon te lagen liggen, maar ze te begraven. War is dat toch een edel mens, hé. Zijn Cobras hebben daar echter wel geen tijd voor. Die moeten voortgaan met moorden, plunderen en mensen op de vlucht drijven om (zoals hij zegt) de mensen te bevrijden van de tirannie.
Ondertussen zijn ze bij onze andere buren, Angola ook wakker geworden. Daar de troepen van president Do Santos meevechten in de twee Congo’s vond Savimbi dat het moment gekomen was om zijn oorlog tegen Do Santos met alle geweld te herbeginnen. Begin deze week viel het stadje Mbanza-Kongo, hoofdstad van het oude koninkrijk Congo, weer in handen van Savimbi. De hoeveelste keer is dat? Met de jaren zijn we echt de tel kwijtgeraakt. Mbanza~Kongo ligt vlak bij Songololo waar onze pater Roger Ampe gedurende jaren tienduizenden en tienduizenden Angolese vluchtelingen in uiterste miserie opving en hielp. Maar een paar jaar geleden begaf het hart van Roger het. Songololo is een klein zeer arm stadje in een zeer onvruchtbare streek, zonder maar ook iets industrie, zonder water en elektriciteit. Zelfs de missie niet. In september waren er zeer zware gevechten tussen de Congolese rebellen en Angolese soldaten, die aan de kant van Kabila stonden. Er waren zeer veel doden, vooral onder de soldaten. Daarna plunderden de Angolezen de huisjes van de mensen en ook de zeer eenvoudige missie. Alles werd opgeladen op twee vrachtwagens: de schamele spullen van Roger, van de catechist en van het centrum dat vroeger diende om vluchtdingen op te vangen. De vrachtwagens reden recht naar de grens en dan Angola binnen. De troepen van Savimbi vielen vorige week plots ‘S nachts het stadje Mbanza-Kongo aan. Ze drongen de huizen binnen en schoten de mensen gewoon dood. Pater Georges, een Italiaans kapucijn liep naar het klooster van de zusters. Hij stond er aan de deur toen de soldaten er toekwamen en vroeg hen kalm te zijn. Hij ook werd doodgeschoten. En... deze week kwamen in Songololo duizenden Angolezen toe vanuit Mbanza-Kong en omstreken. Na een week telde men er 6.300. Een lid van het Hoog Commissariaat voor vluchtelingen zegde me gisteren: “Ze slapen onder de blote hemel. Er is niemand om hen op te vangen”. Ja, Roger is er niet meer en alles werd er een paar maand geleden geplunderd door hun eigen landgenoten. De geschiedenis is soms cynisch.
Onze Beneden-Congo die gedurende de maanden augustus en september werd plat gelopen en geplunderd door verschillende legers en gebukt gaat onder de lasten van de oorlog die woedt elders in dit land, die Beneden-Congo is nu het veilige toevluchtsoord voor mensen op de vlucht voor het oorlogsgeweld in buurland Congo-Brazzaville voor mensen op de vlucht voor het oorlogsgeweld in buurland Angola. Zon zijn we nu geconfronteerd met drie oorlogen.
Deze morgen wilde ik met de mensen uit de lezing van vandaag schreeuwen: “Heer, hoe kunt ge slapen. Ziet ge niet dat we aan het verdrinken zijn?” (Mc. 4, 38). Een uur later zat ik in een file auto’s die moeizaam een weg zochten langs en door diepe slijkputten. Voor mij een krakende overtijdse taxibus. Op de afgeschilferde bus was juist geschilderd: “Dieu ne dort pas, God slaapt niet.” Ge moet moed en geloof hebben om met die boodschap hier rond te hotsen. Dank je, chauffeur, in je schokkende rammelding.

Correspondent: Jos Roosens

Kinshasa - 16 januari 1999

Vooreerst wil ik jullie allemaal een Gelukkig en Vredevol Jaar toewensen. Moge de Heer jullie en jullie families in goede gezondheid bewaren en zegenen al wat ge onderneemt.
Of het jaar voor ons hier erg vredevol zal zijn, zullen we moeten afwachten. Wij zitten hier geplaagd met twee oorlogen. Eerst de oorlog hier in de Republiek Congo, ex Zaïre. Eigenlijk is het een oorlog van Centraal-Afrika. Vechten mee langs de kant van de rebellen: Oeganda, Rwanda en Burundi. Doen mee met Kabila Angola, Zimbabwe, Namibië en Tsjaad. Rwanda had gehoopt op twee maand in Kinshasa te zijn, maar de tussenkomst van de bondgenoten van Kabila stak daar een stokje voor. Nu wordt het stilaan een slijtage oorlog. Langs de twee kanten moet de bevoorrading komen van meer dan duizend kilometer over zeer slechte, bijna onbestaande, Afrikaanse wegen. Langs de kant van de rebellen heeft men dan nog verschillende groepen die hun eigen oorlogje voeren. Sommigen geholpen door oud-medewerkers van Mobutu. Iedereen hoopt dat die nooit hier geraken.
Wapens kopen kost enorm veel geld, voor beide kampen. Er schiet dan dikwijls niet veel meer over om de soldaten te betalen, die zichzelf dan maar betalen door te plunderen en te stelen al wat niet te heet of te zwaar is. Het ene leger is al niet veel beter dan het andere. Hospitalen en missieposten worden genadeloos geplunderd. De gewone mensen gaan terug in de bossen leven, ver weg van de wegen.
Er gebeuren verschrikkelijke zaken. In Zuid-Kivu zijn er enorme slachtpartijen door bezetters, met massagraven van vermoorde onschuldigen. Sommige massagraven zijn onbekend, andere zeer goed gekend zoals te Bwegera (666 lijken), Luvungi (150 lijken), de Rushima-rivier (350 lijken). De huizen van de vermoorde families worden de volgende dag bezet door Tutsimensen. Het lijkt soms wel een stammenoorlog.
Hier in Kinshasa voelen we vooral de economische gevolgen van de oorlog. De staat heeft geen geld meer en zoekt koortsachtig om het lege bakje te vullen. Men vindt alle mogelijke belastingen uit. De prijzen stijgen. De ambtenaren, onderwijzers en anderen zijn weeral maanden niet meer betaald. Zoals steeds is het de gewone mens die het hardst getroffen wordt. Zoals het spreekwoord hier zegt: als twee olifanten vechten, wordt het gras genadeloos plat getrapt. We worden hier ook dagelijks geconfronteerd met een andere oorlog die waarschijnlijk minder gekend is de oorlog van Congo-Brazzaville, onze buren aan de overkant van de stroom hier. Er heerst daar een echte stammenoorlog. Enige jaren geleden heeft de toenmalige president Lissouba er het officiële leger afgeschaft. Naar het voorbeeld van andere machtigen van het land vormde hij zijn persoonlijk milities, volgens de streek van afkomst genoemd Zoulou, Mamba (zeer giftige slang) of Cocoy. De vorige president Sassou Ngwessou had reeds zijn persoonlijke militie, de Cobras. Een andere presidentskandidaat had ook zijn persoonlijke militie, de Ninjas. Al die milities zijn zeer goed gewapend.
Twee jaar geleden kwam oud-president Sassou terug van Frankrijk waar hij aan de petroleummaatschappij ELF had beloofd dat zij de olievelden voor de kust mochten uitbaten. President Lissouba had die velden toevertrouwd aan de Amerikanen. Met geld van ELF deed Sassou een staatsgreep. Sedertdien is er daar in Congo-Brazzaville een echte stammenoorlog aan de gang. Een paar weken geleden is die weer in alle geweld opgelaaid. In Brazzavile wordt de wijk van de Bakongo, de stam van zijn vijand Kolelas, systematisch uitgeroeid en de huizen worden vernield. Die mensen zijn massaal op de vlucht geslagen. Ze mogen hier de Congostroom niet over. Ze zijn dan het binnenland ingetrokken en na een paar dagen marcheren met duizenden in prauwen de Congostroom overgestoken, die de grens vormt tussen de twee Congo’s. Ze hebben zich verspreid in de dorpen, maar velen zijn doorgetrokken en na een paar dagen toegekomen in Mbanza-Ngungu, waar pater Notenboom en ik jaren verbleven. Daar werden ze tegengehouden opdat ze niet naar Kinshasa zouden komen. De eersten die toekwamen waren jongens en mannen. Die worden in Brazzaville genadeloos doodgeschoten. In Mbanza-Ngungu logeren die vluchtelingen een beetje overal, vooral onder de blote hemel, op het plein voor de kerk, in het voetbalstadion... De mensen van Mbanza-Ngungu zelf kunnen niet veel doen. Hun stad werd in de maand augustus door twee verschillende legers geplunderd. Ik ging hulp vragen bij het Hoog Commissariaat voor Vluchtelingen. Die zitten met hun handen in het haar. Ze zijn overstelpt en hebben maar een zeer beperkt budget.
Na Brazzaville is het geweld nu ook weer overgeslagen naar het binnenland. Her stadje Nkayi, met zijn 65.000 inwoners, de vierde grootste stad van het land, werd in de nacht van 26 december aangevallen door de Cobras van Sassou, geholpen door Angolese soldaten. Nkayi is de geboortestreek van oud-president Lissouba, oud-president en vijand van Sassou. Er waren tientallen doden en honderden gekwetsten. De lijken bleven gewoon in de straten liggen. De soldaten zouden er spreken van een etnische zuivering. Alle mannen tussen 15 en 30 moeten uitgeroeid worden omdat ze tot een andere stam behoren dan de president en mogelijk lid zijn van een andere militie. Op 28 december besloten de aanvallers de stad gewoon te ontruimen. Iedereen werd verplicht te vertrekken naar Dolisie, 90 km verder. Velen waren reeds op de vlucht geslagen. Zo kwam de bisschop van Nkayi, Monseigneur Nsayi, samen met een paar jonge priesters en buitenlandse zusters toe in Bandakani, een van onze missieposten aan deze kant van de grens. Ze hadden drie dagen door de brousse gemarcheerd. Een paar dagen later kwam een andere groep toe, samen met de vicaris-generaal die een kogel door de voet bad gekregen. De kerk wordt ten onrechte beschuldig niet aan de kant van de president te staan. De Ninja of Zoulous, die veelal in de bossen zitten, komen dikwijls onverwacht op een parochie of missiepost en eisen onder bedreiging geld, eten en geneesmiddelen. Daarna komen de Cobras van de president, die de parochie beschuldigen hun vijanden te steunen en uit wraak verwoesten ze alles. Moeilijke situaties!
Ondertussen is er niemand die iets kan doen voor de duizenden mensen die op de vlucht gedreven werden. De Franse autoriteiten in Brazzaville zeggen dat het allemaal niet zo erg is. Ze staan aan de kant van Sassou. Het Internationale Rode Kruis in Genève zegt dat ze op de hoogte zijn, maar niets kunnen doen omwille van de onveiligheid. Waarom kan men ELF niet verplichten schadevergoeding te betalen aan al die mensen die familieleden verloren waarvan de huizen verwoest werden? Het gebeurde toch met wapens door hen mee betaald. En ondertussen gaan de ontploffingen maar verder in Brazzaville, terwijl ik hier zit te schrijven. Men vraagt zich af of er in Brazzaville nog huizen recht staan na al die zware ontploffingen die al weken duren. Gisteren vielen er (per ongeluk?) weer een paar obussen op Kinshasa, die een jongen van elf gedood hebben.
Zo zitten we hier opgescheept met twee oorlogen. Terwijl men in Europa eeuwenoude veten tussen de verschillende landen tracht te vergeten en één groot Europa bouwt, glijdt men hier af naar toestanden van vorige eeuw. En de boer, bij ploegde voort...
We zullen ook maar stillekens voortdoen zolang we kunnen. ‘We zijn hier tenslotte vooral voor de gewone mens die het slachtoffer is van dat alles.
Beste mensen van de Brug, dank voor jullie sympathie en steun en tot een volgend keertje.

Correspondent: Jos Roosens

Kinshasa - 4 december 1997

Zoals ge weet ben ik sedert februari ‘97 terug in Kinshasa beland. Ik leef in een communauteit van priesterstudenten. We zijn met zijn 15. Ik ben de enige niet student. We hebben een rustig perceel niettegenstaande we vlak bij twee drukke banen zitten. Daarom komen jongeren ook regelmatig bij ons studeren. Jongens en meisjes van de geburen die in de stad studeren, maar thuis geen rustig plekje hebben. Ze zitten ook regelmatig in onze kleine bibliotheek, maar er is een serieus gebrek aan enige goede verklarende woordenboek, vooral franse, maar ook engelse. Ik ben in de stad eens gaan rondneuzen. Een gewone ‘Le Robert, Micro, dictionaire pour tous, orthographe et grammaire’ van 1470 paginas kost 1.500 fr. Een dictionaire encyclopédique van 2065 pagina’s gaat al naar de 2.000 fr. Ik wou vragen aan De Brug of ik voor een 15.000 ft. enige ernstige woordenboeken mag kopen. Ik weet niet over hoeveel ‘de Brug’ kan beschikken. Moest er meer geld ter beschikking zijn, dan wil ik vragen of ik de rest zou mogen gebruiken voor dringende gevallen. Men wordt van de morgen tot de avond geconfronteerd met de miserie van de mensen. Soms zijn er echt schrijnende dringende gevallen die men moet helpen. Bij voorbeeld bij dringende dokterskosten, een alleenstaande moeder met kinderen die uit haar huisje gezet wordt omdat ze het kleine huurgeld niet kan betalen... Zijn jullie akkoord dat ik met het geld van de Brug zuIke gevallen help?
In afwachting van een antwoordje wens ik jullie allen een Zalig Kerstfeest en Gelukkig jaar 1998.

Correspondent: Jos Roosens

Kinshasa - 3 december 1997

Enige maanden geleden, bij de intocht in Kinshasa van de troepen van Kabila, schreef ik een enthousiaste brief. Iedereen was enthousiast en hoopte op verandering. Ondertussen zijn we zes maanden verder en een ontgoocheling rijker. De gedisciplineerde soldaatjes van Kabila die maandenlang ontbering en miserie gekend hebben, ontdekten zeer vlug het bier en andere geneugten van de stad en haalden hun schade wel in. De eerste weken was er nog tucht, maar daarna begonnen ze zich echt als een bezettingsleger te gedragen. Waar ze zin in hadden: auto’s, vooral terreinwagens, huizen... werd aangeslagen. Met die wagens leerden ze rijden en veroorzaakten enorm veel ongelukken.
In de jaren zestig was Che Chevara in Congo om er een revolutie op touw te zetten zoals in Cuba. Een van zijn naaste medewerkets was een Kabila. Na zes maand vertrok de idealist Che, ontgoocheld over Kabila en diens aanhangers. Dertig jaar later heeft Kabila toch niet alles vergeten van Che. Het leger hier is een leger zonder graden. Er zijn alleen soldaten en commandanten. Geen andere graden. Die commandanten hebben allen een bijnaam Hun echte naam is niet gekend. De soldaten kennen alleen hun commandant. Naar anderen luisteren ze niet. Ze zijn natuurlijk van verschillende nationaliteiten: Ruandees Oegandees, Congolees, Angolees... Het is moeilijk te weten met wie men te doen heeft. Maar ze hebben nog altijd de vinger even los aan de trekker. Ze hebben ook nooit iets anders geleerd. Arme jongens.
Kabila herinnert zich ook nog iets van hersenspoelingen. Al de soldaten van het oud Mobutuleger moeten er ondergaan gedurende een paar maand. Maar, die mannen hebben onder Mobutu zoveel verschillende slogans moeten leren roepen dat ze er de hersenspoeling van Kablia wel zullen bijnemen. Tijdens die maanden hersenspoeling zijn ze zeer slecht gevoed en dat zal waarschijnlijk wel in hun geheugen blijven hangen.
Ondertussen belooft Kabila 28.000 km weg te asfalteren, maar een twintigtal kilometer zeer slechte weg, die maakt dat de baan Matadi-haven-Kinshasa praktisch onderbroken is, heeft hij op zes maand niet kunnen herstellen. Hij heeft geen hulp van het buitenland nodig en gaat tot in de verste uithoeken landbouwtractors geven. Die man schijnt soms luidop te dromen. Ondertussen smeekt hij dat de Belgen zouden terugkomen om te investeren. Het volk wacht af en heeft geen vertrouwen meer. Ze hebben gelijk, want met de dag wordt Kabila meer dictator. Het wordt erger dan onder de laatste jaren Mobutu. De oud-gouverneur van Kinshasa zegde spottend: we zitten nog altijd in dezelfde oude krakende camion, we hebben alleen iemand anders achter het stuur. Ondertussen trachten we rustig verder te doen.
Aan alle mensen van de Brug, bestuur, medewerkers en leden, een Zalig Kerstfeest en een Gelukkig Jaar 1998. Moge de Heer jullie allemaal zegenen en bijstaan.

Correspondent: Jos Roosens

Kinshasa - juli 1997

Het is zondagmorgen, het is stil en kalm. Dat is de vorige weken niet zo geweest.
Sedert ik eind januari terugkwam is de spanning eigenlijk nooit weggeweest uit Kinshasa. Iedereen voelde dat er iets moest en zou gebeuren. Het was aangeraden zo weinig mogelijk buiten te komen en ‘s morgens namen we met mensen van verschillende kanten van Kin contact op met elkaar om te zien of het veilig was en of we buiten konden komen.
Het leger van Kabila kwam steeds dichterbij. We volgden dat allemaal langs de buitenlandse radio’s en de eigen radioverbindingen met de missies in het binnenland. Ondertussen hadden de mannen van Mobutu en zijn aanhangers, en ook andere rijken, alle hotels in Brazzaville afgehuurd, voor maanden, cash betaald in dollars. Dezelfde mannen brachten massa’s auto’s en kostbare zaken over naar Brazza. Het was klaar dat de ratten het schip aan het verlaten waren. Wij, zoals veel anderen, hadden een beetje overal eten weggestopt in de grond. Het gevaar voor plunderingen was zeer groot.
Al jaren waren we gewoon aan grove leugens op de Zaïrese televisie, maar de laatste weken liep het een beetje de spuigaten uit. Er kwam gebrek aan maniok en andere zaken, maar de minister kwam op de TV zeggen dat ze een stock hadden voor een gans jaar (voor de dikke nekken misschien wel).
Iedereen wist dat de troepen van Kabila op de rand van de stad zaten. De minister kwam zeggen dat ze nog op een paar honderd kilometer zaten en dat het Zaïrese leger de stad met alle macht zou verdedigen. Hij sloot wel alle buitenlandse Tv-uitzendingen af. Jullie wisten en zagen meer dan wij. Hier wisten wij wel dat het gewone leger niet wilde vechten en zat te wachten om de kant van Kabila te kiezen. Wij hadden echter wel schrik van de Garde Civile en van de presidentiele wacht, de door het volk gehate speciale eenheden van Mobutu. Die mannen zouden wel eens voor een bloedbad kunnen zorgen.
Verschillende Europese landen stuurden soldaten naar Brazzaville om desgevallend tussen te komen. Die konden op een uurke in het centrum van Kin zijn. De ambassades drongen aan dat we allen het land zouden verlaten. Velen vertrokken. Maar we besloten te blijven zolang het niet te heet werd. We konden onze mensen toch zo maar niet in de steek laten. De ambassade had wel een gans plan opgezet om ons te ontzetten in geval van nood. Iedereen kreeg klare instructies wat te doen in geval van nood. Een lokale radio van de ambassade zond regelmatig (24 op 24 uur) berichten uit. Tussendoor mooie muziek.
Wat zou er gebeuren? De toestand veranderde van uur lot uur.
Op donderdag 15 mei gingen dan de opperbevelhebber van het leger en twee andere generaals aan Mobutu zeggen dat ze de stad niet konden verdedigen en niet konden instaan voor zijn veiligheid. ‘s Avonds hield een minister nog een toespraak op TV waar hij het uitvoerig had over de verdediging van de stad. De volgende dag verliet Mobutu Kin. Iedereen begreep dat hij op de vlucht ging.
Maar tegelijkertijd barstte alles los. De troepen van Kabila namen het vliegplein buiten de stad in en trokken de buitenwijken binnen. De parachutisten van het gewone leger bij het vliegplein gaven zich over. De Garde Civile ruimden hun voorraden op en verkochten aan de straatjeugd uniformen voor 200 fr. en geweer met munitie voor 10 dollar.
De presidentiële wacht, in het kamp Tshatshi hier vlak bij, zouden hun yel duur verkopen. Wat er juist is gebeurd is niet klaar. De opperbevelhebber werd naar hun kamp gelokt en daar doorgeschoten, waarschijnlijk door de zoon van Mobutu. Die jonge Mobutu, in de volksmond Saddam Hoessein genoemd, zaaide al jaren terreur in Kinshasa. Na de moord op de opperbevelhebber zijn de poppen voorgoed aan het dansen gegaan. Het was echt oorlog. Langs alle kanten werd er geschoten En natuurlijk begonnen de plunderingen Wij hier aan de andere kant van de stad zaten twee nachten en een dag onder vuur eer de mannen van Kabila in onze wijk waren
Ze waren er plots, de zondagmorgen van Sinksen De straten waar alleen zwaar gewapende en plunderende soldaten van alle slag voorbij kwamen, waren nu plots vol van jubelende mensen We keken de ogen uit onze kop naar de soldaten van kabila. Schoolkinderen!. Kop en nek kleiner dan de gewone mensen hier. Jongentjes van 13 tot 16 jaar met rubberen botten en uniformen, zo vuil dat het geen naam had.
Sommigen met wapens groter dan zijzelf. Anderen met munitiekisten of andere zaken op het hoofd of in plastieken zakken in de hand. Ze zagen er zeer vermoeid uit.
Hoeveel honderden kilometers hadden ze misschien al niet gemarcheerd de laatste maanden? Wel zeer gedisciplineerd. Hoe was het mogelijk dat het Zaïrese leger reeds 2000 kilometers ver op de vlucht was voor die mannekens. De nacht tevoren waren hier nog pantserwagens en tanks voorbij getrokken, op de vlucht voor die mannekens.
Onmiddellijk begon de afrekening. Huizen van Mobutu-aanhangers werden door de bevolking grondig geplunderd. Kabila liet weten dat plunderaars zwaar zouden gestraft worden. Soldaten van het Zaïrese leger kregen 48 uur de tijd om hun wapens en uniform te komen inleveren. De volkswoede keerde zich natuurlijk tegen de Garde Civile en de presidentiele wacht van Mobutu. Zij die hun wapens niet hadden ingeleverd werden door de bevolking aangegeven bij de soldaten van Kabila. Die mannekens lachen niet. Als ge ze roept komen ze onmiddellijk, met metaaldetectors. Vinden ze plunderaars of soldaten die hun wapens of uniformen niet hebben ingeleverd of ergens hebben verstopt, dan krijgen de schuldigen ter plaatse een kogel door het hoofd. Spijtig genoeg steekt de bevolking die lijken regelmatig in brand met autobanden om de hals.
Nu na een week zijn er nog regelmatig schietpartijen.
De eerste dagen was er vreugde. Nu eist het gewone leven weer alle aandacht. Kabila heeft Mobutu en zijn klik verdreven. Nu begint het moeilijkste,,, van Zaïre/Congo weer een normale staat maken. De economie is totaal om zeep.
Ondernemingen zijn over de kop gegaan of leeggeplunderd. Het wegennet is totaal verwoest. Zoals de hoofdweg Matadi-Kinshasa, die de haven met de hoofdstad verbindt, 360 km. Als een vrachtwagen nu in het droog seizoen in vier dagen die reis doet, heeft de chauffeur hard gewerkt. Onderwijzers, verplegers en alle staatsambtenaren moeten maanden achterstallig loon trekken. En welk loon? Een schooldirecteur, 33 jaar trouwe dienst, vijf kinderen ten taste, kreeg zojuist opslag, maandloon 53.000 NZ. Een enkel ritje op een overvolle stadsbus kost 5.000 NZ, een cola 50.000 NZ, cen broodje van 100 gr. 22.500 NZ.
Het is een plezier nu door de stad te rijden. De vorige jaren stonden overal gendarmes en soldaten van alle slag ons op één of andere manier geld af te persen. Commandanten legden de som vast die ‘s avonds moest worden binnen gebracht. Nu hebben die mensen allemaal hun uniform en wapens moeten inleveren. Met hun families hebben ze de militaire kampen moeten ontvluchten, een onderdak gaan zoeken bij vriend of kennis waarvan het huis waarschijnlijk reeds bomvol zit. Die soldaten van het gewone leger waren gedurende jaren de grootste slachtoffers van het Mobuturegime. Uitgebuit, maar toch nog iemand. Nu hebben ze niets en zijn ook niets meer. Wie gaat zich nu met hen bezig houden? Waar moeten zij en hun families van leven? Ze zijn met duizenden hier in Kin. Ze hebben niet gevochten tegen de troepen van Kabila. Waarom zouden ze? Ze waren reeds jaren verwaarloosd door Mobutu, niet betaald. Ze werden naar het front gestuurd, de hogere officieren gingen niet mee. Als proviand kregen ze één doosje sardienen voor twee dagen. Dat ze op hun aftocht dikwijls plunderden is niet goed te praten, maar toch wel een beetje te begrijpen. Waarvan moesten ze leven? En had Mobutu zelf hen in ‘91 niet aangezet te plunderen in ruil voor achterstallig loon? En hoe waren ze gehuisvest?
De Belgen bouwden indertijd een kamp voor ongehuwde soldaten. Eén kamer per soldaat. Daar woonden de laatste jaren, per kamer, twee families van het gewone leger. In het midden een stuk gordijn. Een zoon van een soldaat vertelde me dat zij met twee families in zo’n kamer woonden. De ene familie had acht kinderen, de andere 12, met ouders samen 24 man. De jongen wist alles van het leven.
Kabila zal het niet gemakkelijk hebben. Iedereen zegt dat hij een democratisch regime moet invoeren. Niet gemakkelijk. Politiekers die er jaren niets van terechtgebracht hebben, staan aan zijn deur aan te schuiven om een post te krijgen. Wat kan hij met die mannen aanvangen?
Tshisekedi wil ook zelf president of minstens eerste minister worden. Die man geeft de indruk ook de macht om de macht te willen. Hij heeft al een dag “Dode Stad” afgekondigd. Zonder succes. Onder Mobutu heeft hij dat dikwijls gedaan. De Europese reporters spraken steeds van groot succes. Tshisekedi heeft zeer veel aanhang bij de jeugd en bij de studenten. Op een dag “Dode Stad” trekken die jongeren met massa’s door de stad, nemen met geweld auto’s af om te gaan betogen, slaan ruiten van andere auto’s stuk en plunderen de tafeltjes van de mensen op de markt. De laatste tijd bleef iedereen thuis op een dag ‘Dode Stad”, gewoon uit schrik. Men had er meer dan genoeg van. De overgrote meerderheid moet ‘s morgens de baan op om ergens iets te verdienen om tenminste ‘s avonds te eten te hebben. Een dag “Dode Stad” betekent voor een grote massa mensen die dag niets te eten te hebben. Kunnen Tshisekedi en de anderen hun persoonlijk machtsstrijd niet een tijdje vergeten en eens denken aan de miserie van het volk? Iedereen heeft zijn bulk vol van tirannie.
De laatste jaren heerste wanorde, bedrog, wederzijdse uitbuiting en plantrekkerijen en politiekers die alleen op eigen belang uit waren. Iedereen wil democratie.
Om een beetje orde op zaken te stellen, zal het wel cen democratie met een beetje een ijzeren hand moeten zijn.
En welke rol spelen de Amerikanen? Voor de val van Kinshasa hadden ze reeds de hand gelegd op de rijke mijnen van Congo. Zou het bij hen tenslotte daar niet om gaan? De zogezegde democratie van Congo is misschien alleen maar een mooi voorwendsel.
Mocht er toch eindelijk eens een beetje licht komen voor de gewone mens hier.

Correspondent: Jos Roosens

Mbanza-Ngungu - januari 1997

Dat de ellende van het Zaïrese volk groot is weet iedereen. Maar bij al die miserie was het toch nog een fier volk gebleven. Jarenlang had een goed georganiseerde propaganda van het Mobutu-regime hen ingepompt dat ze het grootste volk van Afrika waren, en hun leger onoverwinnelijk. Maar dan komt plots vanuit dat oneindig klein buurlandje Rwanda een legertje binnengevallen en verovert op een paar weken tijd één vierde van Zaïre. Hoe was dat mogelijk? Het was alsof een geitje een olifant verdreef om er te komen grazen. Het Zaïrese volk had de laatste jaren al zeer veel moeten ondergaan, maar nu werd het laatste wat ze nog hadden hen ook nog ontnomen; hun Zaïrese fierheid. Nee dat kon niet. De vernedering was te groot.
Mobutu die ze jaren geleden aanbeden hadden als de messias, had de laatste jaren alle vertrouwen verloren, scheen uitgeteld en zat ziek in Europa. Maar dat die Mobutu een uiterst sluwe politieker is bewees hij nogmaals. Als de redder van het vaderland keerde hij terug naar Kinshasa. Op TV zagen we zijn triomfantelijke ontvangst. De getrouwen, die jarenlang hadden mogen mee profiteren, waren op post. Ook veel anderen die waarschijnlijk hoopten dat Mobutu dat vreemde legertje vlug terug de grenzen zou overjagen en aan Zaïre zijn nationale fierheid teruggeven. Iedereen was verwonderd over de beelden op TV. Wat er niet bijgezegd werd was dat at die mensen twee dollar hadden gekregen. Twee dollar, dat is meer dan het gewone maandloon van een soldaat of onderwijzer. Een grote som voor een gewone kleine man. Daarvoor wil hij wel even komen toejuichen. Hij kent het systeem van MobutU reeds lang.
Gaat Mobutu dat vreemde legertje werkelijk kunnen verjagen? Een Afrikareporter vergeleek de terugkeer van Mobutu met een stervende olifant die nog eens rechtsstaat, luid schettert zodat alle dieren beven van angst, daarna door zijn poten zakt en sterft. Mobutu is dodelijk ziek. Wat na hem? Niets is voorbereid voor zijn opvolging. Iedereen houdt zijn hart vast tegen de dag dat hij sterft en bidt dat er toch niet te erge zaken zouden gebeuren.
Gedurende al de jaren dat hij aan de macht was heeft Mobutu, samen met zijn aanhangers, een maatschappij opgebouwd waar de macht van de sterkste hoogtij viert. Iedereen laat zich leiden door machtswellust, uitbuitertje en leugen. De groten buiten de kleinen uit, en de kleinen trachten elkaar ook zoveel mogelijk te bedriegen en uit te buiten.
Zolang daar geen verandering in komt is er geen hoop voor Zaïre. Het geld zal altijd blijven verdwijnen in de bodemloze zakken van enkele gewetenloze machtswellustelingen. De mentaliteit van de mensen moet totaal veranderen, zoniet is er geen toekomst voor het land en zijn volk. Er zijn wel enkele tekenen van hoop. Veel kleine mensen zijn enorm vindingrijk om door eigen werk de eindjes aan elkaar te knopen.
In Zaïre begrijp je beter het woord van Jezus dat zegt dat we de gist in de deeg moeten zijn. De maatschappij moet van binnen uit veranderd worden. Er zijn kleine groepjes van mensen die niet meedoen met de algemene gang van zaken, maar zich laten leiden door echt menselijke en christelijke waarden zoals rechtvaardigheid, eerlijkheid, vrede, medemenselijkheid, naastenliefde... Er is moed en kracht nodig om zo te leven. Het is leven tegen de stroom van de samenleving in. Maar hopelijk gaan steeds meer mensen inzien dat die weg de enige is die redding kan brengen in Zaïre. Van binnen uit de maatschappij bewerken zoals gist werkt in een deeg. Het zal wel lang duren. Mobutu heeft alles vergiftigd gedurende 30 jaar. Er zal waarschijnlijk meer tijd nodig zijn om de mentaliteit van de mensen weer een beetje gezond te maken. Dit is een van de voornaamste taken voor de kerk en de missionarissen.
Wanneer ik eind januari weer terug naar Zaïre ga heb ik een nieuwe opdracht. Ik ga in Kinshasa naar een vormingshuis voor jonge religieuzen en toekomstige priesters. Hopelijk gaan deze jongeren over een paar jaar helpen om te leven volgens de echte waarden en krijgen we stilaan een andere maatschappij. Daar wil ik nu reeds aan meewerken.
Sinds een paar jaar zijn jeugdbewegingen weer toegelaten in Zaïre. Ze waren gedurende meer dan 25 jaar verboden. Alles moet weer van begin af herbegonnen worden. Deze bewegingen helpen de jongeren volgens echte waarden te leven, en niet altijd mee te doen aan bedrog, leugen en uitbuiterij. Dit zou ik graag voorleggen aan de Brug als project: hulp aan die beginnende jeugdbewegingen.
Beste dank aan de mensen van ‘De Brug’ voor de vele steun die ik reeds mocht ontvangen. Met verwondering en blijdschap zie ik dat jullie er in slagen steeds meer projecten te steunen. Eigenlijk zijn jullie ook een beetje gist in onze westerse maatschappij.
Proficiat Zalige Kersttijd en Gezegend jaar 1997.

Correspondent: Jos Roosens

Mbanza-Ngungu - 16 april 1996

Hartelijk dank voor uw brief van 24.2.96. Dank ook voor het goede nieuws van de storting. Ik kreeg nog geen bericht van onze procureur van Brussel, maar dat zal wel in orde komen. De briefwisseling tussen België en hier gaat niet zo vlug als bij jullie.
Proficiat aan de mensen van de Brug die het klaarspelen elk jaar weer opnieuw zichzelf te overtreffen.
Dank ook voor het nieuws van de bisschop. Zo blijven we van ver toch een beetje de evolutie volgen in België. Proficiat ook voor jullie engagement voor de kapel van het vroegere missiehuis. Het doet deugd positief geluid te horen. Kerknieuws uit Europa is dikwijls zeer negatief. Men heeft de indruk dat alles sterft, Gebrek aan priesters heeft ergens toch een goede kant: leken kunnen meer hun verantwoordelijkheid opnemen.
Voor mij is er een grote verandering. Ik heb net mijn mandaat als overste hier beëindigd en sedert een paar weken heb ik een plaatsvervanger. We zijn nu zowat remise-reprise aan het doen en volgende maand kom ik op verlof naar België. Waar ik na mijn verlof zal naartoe gaan weet ik nog niet...
Ik wilde echter wel vragen of ik het geld van de Brug voorts mag gebruiken voor een jeugdcentrum hier te Mhanza-Ngungu, zelfs als ik niet meer naar hier terug kom. Scouts en andere jeugdbewegingen komen weer van de grond, maar hebben zeer veel problemen. Na meer dan twintig jaar onderbreking is het moeilijk. Er is geen traditie meer, er zijn geen leiders meer. Maar ook geen lokalen of andere infrastructuren. Even buiten Mbanza-Ngungu hebben we een terrein gekregen voor de jeugdbewegingen. Ze zouden er graag enkele lokalen bouwen voor weekends en voor andere samenkomsten. Geen grote luxueuze gebouwen, maar toch iets waar ze kunnen slapen en binnen zitten. Ze hebben reeds een hoeveelheid bakstenen gemaakt... maar voor de bouw van lokalen is er meer nodig dan stenen. Daarom zou ik, zoals vorig jaar, graag integraal de som die de Brug me geeft, willen geven aan dat werk. Zijn jullie daar mee akkoord?
Mijn briefje is maar kort, maar over enige weken zien we elkaar hopelijk in Kalmthout en kunnen we meer mondeling vertellen.
Vele groeten aan de mensen van De Brug en tot over enkele weken.

Correspondent: Jos Roosens

Mbanza-Ngungu - 19 augustus 1995

Beste dank voor uw brief van 19 juli. Langs Brussel kreeg ik ook nieuws van de verschillende stortingen die gedaan werden. Waarschijnlijk is het onnodig aan al de namen door te geven. Wit u alle mensen van de Brug feliciteren met wat ze weer tot stand brachten en wil hen ook van harte danken.
Voor het volgend jaar zou ik een ander voorstel willen doen. Zoals U misschien weet werden door het Mobutu-regime gedurende jaren alle jeugdverenigingen verboden. Iedereen was verplicht aangestoten bij de Mobutujeugd. Nu zijn de verschillende jeugdbewegingen weer toegelaten. Er is echter een grote breuk van 25 jaar. De traditie is er niet meer. Er zijn geen leideis en geen structuren meer.
De scouts zijn weer gestart maar met een paar leiders van hoven de 50. Op dit ogenblik is er een kamp bezig van meer dan 300 toekomstige leiders van uit gans de provincie. Men heeft specialisten uit vreemde landen laten komen om het kamp te leiden, mensen die de evolutie van de scouts de laatste 25 jaar hebben meegemaakt. Maar die 300 jongeren moeten eten en er is allerlei materiaal nodig.
Mbanza-Ngungu, een stadje van 150.000 inwoners, heeft geen enkel jeugdlokaal. Jeugdbewegingen zijn nu begonnen zelf bakstenen te maken om een paar zalen te bouwen voor vergaderingen en weekends. Maar er is meer nodig dan bakstenen.
Voilà, een project dat ik zou willen voorstelten: de jeugdbewegingen helpen weer van de grond te komen. Ik gaf een steun aan het kamp van de scouts en zou nu willen helpen voor lokalen voor de bewegingen. Ik zag scouts een paar keer bezig en ben overtuigd dat jongeren daar een vorming krijgen die ze nergens anders krijgen.
Het schooljaar 95-96 zal heel waarschijnlijk niet beginnen: de onderwijzers zijn niet meer betaald sedert december ‘94 en eisen hun achterstallig loon voor ze weer de klas ingaan. Begrijpelijk! Maar ondertussen is de jeugd aan haar lot overgelaten. De jeugdbeweging is misschien de plaats waar ze iets ernstig kunnen leren. We moeten hen steunen.
Beste groeten aan alle “Brug"-mensen.

Correspondent: Jos Roosens

Mbanza-Ngungu - 21 mei 1994

Deze dagen kreeg ik bericht van onze missieprocuur in Jette dat er een som van 41.000 Fr. gestort was. Langs U wilde ik graag de mensen van “De Brug” danken voor de dikke steun.
Zoals ik U reeds vertelde gebruik ik dit geld om jongeren te helpen in hun studies hier. Het zijn jongens en meisjes van het hoger middelbaar; een paar van het technisch onderwijs, en ook een paar van het hoger onderwijs. Ik betaal niet alles voor iedereen. Voor sommigen help ik voor de aankoop van schriften, voor anderen help Ik voor uniform, voor anderen betaal Ik ook het schoolgeld. Voor een paar leerlingen betaal Ik praktisch alles.
De situatie in het onderwijs is ellendig, zoals trouwens een beetje alles hier in Zaïre. De onderwijzers hebben een zeer laag loontje. In december was er hier een lagere school die voor al het personeel van de school (zes onderwijzers en ecu schoolhoofd) alles samen 94 NZ. kreeg. Te weinig om voor ieder een doosje sardienen te kopen.
Ondertussen zijn de onderwijzers niet meet betaald, vier maand. De scholen zijn wel heropend eind vorig jaar, maar nu betaalt het oudercomité een soort salaris aan de onderwijzers. Men vraagt daarvoor aan de leerlingen een maandelijkse bijdrage. Maar soms komt men tot onmogelijke omstandigheden. De ouders van de leerlingen waaraan de bijdrage gevraagd wordt zijn dikwijls ambtenaren die ook reeds in maanden niet meet uitbetaald zijn. Zo was er een onderwijzer die les gaf, maar met zijn salaris betaald door het oudercomité, zelf het schoolgeld niet kon betalen van zijn eigen kinderen die in diezelfde school zijn ingeschreven. Het oudercomité sloot de kinderen van de onderwijzer uit tot hij zelf zijn bijdrage had betaald.
Zoals u waarschijnlijk al wel weet hebben we eind vorige maand nogmaals een plundering gehad hier. De soldaten ware niet tevreden met hun soldij en een kleine minderheid, hoogstens een 100 man, besloot te gaan plunderen. Ze omsingelden de huizen van de officieren, braken het munitiemagazijn open en de kermis begon. Twee en half jaar geleden hadden ze hier reeds alles geplunderd, alle magazijnen, winkels en kleine ondernemingen. Sindsdien was de stad economisch dood. De laatste maanden waren enige kleine commercanten er in gelukt weer een paar winkeltjes te openen. Nu is weer alles geroofd. Ook bij vele gewone mensen.
Wij hebben hier bezoek gekregen om drie uur ‘s nachts. Zes zwaar gewapende mannen en een chauffeur in burger. Ze moesten een auto hebben om in een centrum op 50 km van hier te gaan plunderen. Maar voor ze vertrokken eisten ze al het geld. Na hun vertrek lag het overal vol lege hulzen van kogels die ze afschoten.
Er is wel een positieve zaak geweest deze keer. Een groot deel van het militair kamp heeft niet mee gedaan en tegen de morgen heeft de commandant van het andere kamp hier zijn mannen met pantserwagens ingezet om de plunderaars aan te houden. Voor de allereerste keer sinds er plunderingen zijn in Zaïre heeft men veel geplunderde zaken terug gegeven (natuurlijk is veel niet teruggevonden of verwoest), en voor de eerste keer zijn de plunderaars ook voor de krijgsraad verschenen. Maar zal het allemaal veel uithalen als de toestand niet verandert? De soldaten zijn de enigen die regelmatig betaald worden en van wie het salaris stukken hoger ligt dan van andere staatsambtenaren, maar vorige maand kreeg een gewone soldaat 1.300 NZ, dat was toen iets van 130 Belgische frank.
Waarschijnlijk kom Ik volgende maand naar België. Vorig jaar ben ik veel te rap vertrokken. Eens terug hier heb ik veel last gehad met bloeddruk en hart. Dit jaar is het veel kalmer hier en hoop ik in België weer echt op plooi te kunnen komen.
Nogmaals oprecht dank aan de mensen van De Brug, vele groeten en hopelijk tot over kort.

Correspondent: Jos Roosens

Kalmthout - 25 oktober 1993

Gebruik makend van zijn kort ziekenverlof bracht pater Gaston Ribbens mij een bezoek waardoor ik heel wat bijzonderheden vernam over de haast ondraaglijke toestanden in Zaïre.
Enkele voorbeelden:
De gevangenis staat vlak bij de missiegebouwen. De gevangenen (de meesten zonder proces) zijn aan hun lot overgelaten wat betreft hun voeding en onderhoud. Hun families die daar normaal voor instaan, hebben amper nog wat te eten zodat er langs die weg niets gebeurt. En wat men er afgeeft wordt gretig gebruikt door de cipiers, want die hebben ook honger. Iemand van de Missie rijdt dan enkele keren per week een kruiwagen maniok naar binnen en zorgt zelf voor de voedselverdeling. Zo blijven die mensen ook in leven.
De meeste ambtenaren van de administratie hebben in geen zes maanden nog loon ontvangen. Alle mogelijke, veronderstelde of verzonnen overtredingen worden aangegrepen om boeten op te leggen die soms miljarden zaïres bedragen. (Het zijn dus geen scheldwoorden als men soms hoort roepen van miljarde – miljarde!) Bij procedure voor de Rechtbank eist de advocaat 20 % van het geëiste bedrag als ereloon. Dan maar liever discussiëren en discussiëren om de zaak in der minne te regelen voor by. drie miljoen zaïres. Welke Europeaan zou er niet boven zijn toeren geraken door zulke plagerijen? En dan moet ge nog oppassen om niet uitgewezen te worden.
De financiële hulp van de Brug wordt dan ook nuttig aangewend voor TALLOZE hulpverleningen als daar zijn o.a: maandloon leerkracht (250 Bf.), aankoop uniformbroekje en t-shirt voor arme maar goede studenten (500 Bf.), overbrugging van een radeloze situatie naar beter perspectief, enz. enz. Zo was het dit jaar en zo zal het volgend jaar wellicht ook zijn.
Pater Ribbens groet en dankt het bestuur en alle leden van de Brug voor hun inzet en begrip en hoopt op hun blijvende steun die voor velen de laatste steun betekent om te overleven.

Correspondent: Jos Roosens

Mbanza-Ngungu - 6 februari 1993

Zaïre staat weer in de belangstelling. Kinshasa was weer het theater van plunderingen gedurende enige dagen. Wij kwamen er af met de schrik. Alles draait rond een biljet van 5 miljoen Zaïres, dat het symbool geworden is van de machtsstrijd tussen president Mobutu en eerste minister Tshishekedi. Hierbij een beetje uitleg.
De Nationale conferentie: Gedurende de jaren 91 en 92 hadden we hier de Nationale conferentie die het Zaïrese volk met zichzelf moest verzoenen, de democratie invoeren en vrije verkiezingen voorbereiden om zo tot een echt democratisch verkozen regering en president te komen. De conferentie deed zeer goed werk en maakte brandhout van het Mobutu regime. Er waren twee zeer delicate dossiers. Het dossier van de politieke moorden begaan sedert de onafhankelijkheid waarin klaarheid moest gebracht worden en de schuldigen aangewezen. Het ander dossier was dat van de onrechtvaardig verkregen eigendommen. Gedurende zijn 27 jarig bewind heeft Mobutu veel eigendommen en maatschappijen aangeslagen en uitgedeeld aan zijn vriendjes die zichzelf ook rijkelijk bedienden vanuit de staatskas. Nu is de Zaïrese staat failliet maar Mobutu en zijn vrienden zijn schatrijk. De bespreking van de twee netelige dossiers werd altijd uitgesteld maar toen ze eindelijk ter sprake kwamen, sloot Mobutu de conferentie onder het motief dat het lang genoeg geduurd had en dat het geld voorzien voor de conferentie op was, niettegenstaande België en andere landen bereid waren de onkosten van de conferentie te dragen. Ondertussen had de conferentie met overgrote meerderheid een nieuwe eerste minister gekozen: Etienne Tshishekedi, de aartsvijand van Mobutu.
De bankbiljettendans: de dag dat Mobutu een einde maakte aan de Nationale conferentie was juist meegedeeld dat een nieuw bankbiljet van 5 miljoen op de markt zou komen. Eerste minister Tshishekedi verklaarde dit biljet waardeloos. Het volk juichte toe. Waarom? Het 27 jaar durende profiteurregime van Mobutu had de staat failliet gemaakt. Het geld ontwaardde alle dagen. De lonen bleven echter even laag en werden zeer onregelmatig uitbetaald. In de maanden September en oktober 1991 kwam het leger in opstand en plunderde in de steden alles wat te plunderen was. Mobutu, soms aangewezen als opstoker van deze plunderingen, verklaarde dat hij alles vergaf aan de soldaten. Ze konden vrijuit gaan. De kazernes werden open markten waar men alle mogelijk gestolen materiaal kon gaan kopen. Die plunderingen hadden echter het economisch leven vernield en nu kwam er helemaal geen geld meer in de staatskas. Hoe nu het leger en de staatsambtenaren betalen? Voor Mobutu en zijn beschermelingdirecteur van de Nationale Bank geen probleem: nieuwe biljetten laten drukken. Eind 1991 was het hoogste biljet dat van 10.000 Zaïres. Gedurende het jaar 1992 werden biljetten van 50, 100, 200, 500 duizend, 1 miljoen en tenslotte het biljet van 5 miljoen, waarover het allemaal gaat, gedrukt. Nu is het biljet van 10 miljoen ook al aangekondigd. Telkens een nieuw biljet uitkwam vertwee- of drievoudigden de prijzen op slag. De lonen bleven onveranderd, de mensen verarmden met de dag. Mobutu bleef zich echter ruim bedienen. In november 92 was de verdeling van het geld voor de betaling van de staatsambtenaren als volgt
- 15 duizend miljard zaïres voor de betaling van alle staatsambtenaren en het leger
- 30 duizend miljard voor de betaling van het personeel van de Nationale Bank, ongeveer 3.000 man.
- 60 duizend miljard voor president Mobutu.
Toen Tshishekedi aankondigde dat het briefje van 5 miljoen waardeloos was juichten de mensen, want ditmaal zou er geen verdubbeling of verdriedubbeling van de prijzen komen.
De verkiezingen : er waren echter nog andere redenen waarom het volk juichte. De Nationale conferentie moest vrije verkiezingen voorbereiden. geen gemakkelijk karwei in een land waar de MPR van
Mobutu alle touwtjes in handen heeft en overal vertegenwoordigd is.
Bijna alle verantwoordelijken zijn mensen van de partij van Mobutu. Die hebben schrik dat Mobutu valt want dan vallen zij mee. De andere partijen bestaan nog maar sedert een goed jaar, zijn eindeloos verdeeld, zijn dikwijls maar vertegenwoordigd in enkele provincies en hebben geen geld om zich stevig in te planten of verkiezingscampagne te voeren. Mobutu wil daarom zo vlug mogelijk verkiezingen voordat de andere partijen echt wortel hebben geschoten. Mobutu haalt misschien 20 % van de stemmen. Maar daarmee is hij waarschijnlijk de partij met de meeste stemmen. Hij zal zich dan de overwinnaar verklaren en zeggen dat hij democratisch verkozen is. De anderen zeggen dat ze tijd nodig hebben om zich voor te bereiden. En hier stoten we weer op het biljet van 5 miljoen. Voordat het biljet officieel werd aangekondigd had Mobutu reeds kisten en kisten laten vervoeren naar al zijn vrienden in het land om de mensen om te kopen bij de verkiezingen. Wanneer Tshishekedi het biljet van 5 miljoen waardeloos verklaart dan treft hij daarmee rechtstreeks Mobutu en al zijn vriendjes die dan met hele kisten waardeloze biljetten zitten.
Het leger: het leger dat jaren achter Mobutu heeft gestaan, voelde zich de laatste jaren verwaarloosd, keerde zich van hem af en koos partij voor het volk. Daarom werd het gedeeltelijk ontwapend. Het werd te gevaarlijk voor Mobutu die echter sedert een paar jaar twee nieuwe afdelingenheeft opgericht: de Civiele Wacht en de DSP, Speciale Presidentiële Divisie, die zeer goed betaald en bewapend zijn. Bij de laatste plunderen kwam het tot botsingen tussen mensen van het gewone leger en de DSP. Het leger kwam in opstand omdat ze betaald werden met biljetten van 5 miljoen dat voor hen waardeloos is en symbool van het Mobuturegime. Het leger wordt betaald op de 20ste van de maand. Rond die tijd houdt het volk reeds maanden zijn hart vast wegens de dreiging van plunderingen. Maar wat moet het gewone volk zeggen? Onderwijzers, staatsambtenaren, mensen van het gerecht zijn al van 3 tot 8 maand niet meer betaald, en zij zijn dikwijls nog het slachtoffer bij de plunderingen... Er is dan ook veel miserie: eerlijke mensen die alles wat ze hebben te koop aanbieden om toch een beetje geld te hebben, prijzen die de pan uitstijgen, hospitalen zonder geneesmiddelen, ondervoede kinderen... en enorm veel diefstallen, mensen die nemen om te kunnen leven.
Wat zal de toekomst brengen? We vernemen zojuist dat Mobutu Tshishekedi heeft afgezet en wil beschuldigen van hoogverraad. Antwoord van Tslrishekedj: ik ben verkozen door de Nationale conferentie. Mobutu zegt dat de grondwet van de tweede republiek (Mobuturegime) nog altijd geldig is en hem toelaat ministers te benoemen en af te zetten zonder verantwoording te moeten afleggen. Tshishekedi en de mensen van de Nationale conferentie zeggen dat ze een nieuwe grondwet hebben uitgewerkt. We hebben het einde nog niet gezien. Ondertussen zinkt het volk verder weg in de ellende.
En de Kerk in dat alles? Het is het enige organisme dat nog stevig stand houdt. Gelukkig staat ze op een paar uitzonderingen na resoluut aan de kant van het gewone volk en is de enige om te trachten iets te doen aan de miserie. De gevangenis hier zit propvol: 180 man. Er is niets voorzien om die mensen eten te geven. Pater Noteboom laat hen een maaltijd per dag klaar maken. Sanatorium en hospitalen hebben geen medicamenten of het nodige om gewone operaties te doen. De mensen moeten het zelf allemaal meebrengen. Er is dan maar één toevlucht: de missie. De miserie zit hier alle dagen voor de deur en wordt alle dagen groter.
Met de sukkelaars zou Ik willen zeggen: God, hoelang nog?
P.S. In januari 1992 was 1 Belgische frank 2.000 zaïres waard, in januari 1993 80.000 zaïres.

Correspondent: Jos Roosens

Mbanza-Ngungu - 13 november 1992

Zou telepathie bestaan? Reeds een paar dagen liep ik aan U te denken en uw brief komt toe... Hartelijk dank voor die brief en ook voor het nieuws dat u telkens geeft van Moeder. Het is aangenaam dat U daar iets over schrijft en dank ook voor de bezoekjes die U haar brengt.
Ja, er is weer bijna een jaartje voorbij. Wat gaat de tijd toch snel hé ! U vraag wat nieuws uit Zaïre. Ik begrijp het best maar ik ga toch over iets anders schrijven, over Angola. Wij zitten hier namelijk niet ver van de grens met Angola en hebben veel met Angolezen te maken. In de jaren ‘60 begonnen de mensen van Angola hun onafhankelijkheidsstrijd tegen de Portugezen. Het werd een echte oorlog en tienduizenden mensen verlieten hun dorpen en kwamen zich vestigen in onze streek hier. Dat ging zonder veel moeilijkheden omdat de grens eigenlijk een lijn is, getrokken met de meetlat op de conferentie van Berlijn in 1885. De mensen hier en die van de andere kant van de grens in Angola vormen eenzelfde volk. Die vluchtelingen begonnen hier een nieuw leven.
Op 11.11.75 werd Angola onafhankelijk en vol moed trokken ze terug naar hun streek, hun vroegere dorpen. Daar schoot ondertussen niets meer van over. Ze begonnen totaal opnieuw: hutjes bouwen, velden maken... Een paar van onze paters gingen met hen mee.
Maaaar,... na een tijdje brak de machtsstrijd uit tussen de communistisch gezinde MPLA, gesteund door USSR en Cuba, en de door Mobutu en Amerika gesteunde Unita van Savimbi. Onze paters moesten hals over kop terug naar Zaïre vluchten en de volgende weken en maanden zagen we al die mensen die vol moed teruggekeerd waren naar Angola weer hier aankomen. Ze waren weer vluchteling en hadden weer alles verloren.
De oorlog was uitzichtloos.
Na 17 jaar was iedereen het moe en besloten Do Santos (MPLA) en Savimbi (Unita) vrije verkiezingen te houden. Iedereen was opgelucht en vol moed begonnen de vluchtelingen hier terug naar Angola te trekken. De bisschop van Mbanza-Kongo in Angola kwam een paar maal naar hier om hulp te vragen “Jullie hebben in jullie streek meer dan 70.000 mensen van onze streek. Jullie kennen die mensen beter dan wij. Die gaan allemaal terugkomen. Ik heb maar 13 priesters in mijn bisdom. Ik smeek jullie: kom bij mij helpen. Laat die vluchtelingen niet in de steek als ze terug naar hun land komen. Ik vertrouw jullie het gebied toe waar de meeste van hen vandaan komen, Cuimba.
Daar het er echt op leek dat Angola eindelijk vrede zou kennen besloten we op de vraag in te gaan. Begin oktober, een paar dagen na de verkiezingen zouden we met een viertal een kijkje gaan nemen. Eerst reden we naar de bisschop in Mbanza-Kongo op 200 km van hier.
Mbanza-Kongo is een klein stadje met een grote geschiedenis. Het was de hoofdstad van het oude koninkrijk Kongo en in 1492, juist 500 jaar geleden, werd daar het eerste bisdom van zwart Afrika opgericht. Er staan nog overblijfselen van de kathedraal uit die tijd. Tijdens zijn reis door Angola een paar maand geleden, maakte de paus er een kleine tussenlanding. Nu is het een klein stadje, een beetje opgeschilderd omwille van het bezoek van de paus, maar men ziet er nog overal sporen van de 17 jarige oorlog. Scholen... allemaal geplunderd door de verschillende legers.
Er is een afdeling van het Hoog Commissariaat voor Vluchtelingen van de UNO. Die heeft er een tiental vrachtwagens en ze gaan regelmatig naar Zaïre mensen halen die terug willen keren naar Angola. Die mensen kunnen echter alleen wat handbagage meenemen. Ze worden dan afgezet waar vroeger hun dorp was.
Het bisdom zelf heeft twee grote Volvo-vrachtwagens waarmee ze eten brengen naar de mensen die hun dorpen weer stichten en die niets hebben. Het eten komt van Caritas Nederland en van andere organisaties van Europa. Dit is actueel het voornaamste werk van het bisdom.
Met de bisschop reden we naar Cuimba, 65 km verder. Het is een vruchtbare streek maar langs de weg liggen overal wrakken van stukgeschoten vrachtwagens en resten van wat eens mooie metalen bruggen waren, verwoest door MPLA naar men zegde. Nu is het een hele toer om er over te geraken. Tot voor een paar maanden waren er op die 65 km twee dorpkens, nu zijn er al meer dan twintig. Maar wat voor een dorpkens! Mensen die vol moed en hoop terugkeerden naar de plaats waar vroeger hun dorp stond. Ze kapten een deel broessegras waarmee ze hutjes bouwden en om daarna dan velden te maken. Maar in die dorpkens is er werkelijk niets: geen schooltjes voor kinderen, geen enkele medische voorziening, geen enkel winkeltje waar ook maar iets te koop is. Gewoon niets op tientallen kilometers in de omtrek. In verschillende dorpkens stopten we waar de mensen onmiddellijk af kwamen, ze hadden pater Willemsen herkend, die reeds jaren tussen hen werkt in Zaïre en die in ‘75 met hen naar Angola was gegaan. Al wat de mensen nu hebben is veel hoop dat er eindelijk vrede zal zijn.
Cuimba zelf was vroeger een klein stadje maar de MPLA had er een basis gemaakt. Er werd verschillende keren hevig gevochten. De mensen waren allen gevlucht in de loop der jaren. Nu staan er tientallen huizekens van gebakken stenen maar zonder dak. De laatste weken zijn veel mensen teruggekomen. Maar 14 dagen tevoren was er nog een politieke meeting van de MPLA. Mensen van UNITA gaven aan een kind een handgranaat en vroegen die te gaan gooien waar al die mensen samen waren. Gevolg: een paar doden en een deel gekwetsten.
In Cuimba toonde de bisschop ons een verwoest kerkje met een plein. Er waren ook een paar honderd gebakken stenen. Als we aannamen te komen helpen dan was dat voor ons. Eerst moest er wel een huisje gebouwd worden opdat de paters zouden kunnen wonen. Binnen dit en een paar jaar zullen er in de streek zeker meer dan 200 dorpkens zijn. Werk genoeg.
‘s Avonds maakten we de balans op van de dag. Twee zaken troffen ons:
1. Hoe is het mogelijk dat de machtshonger van een paar mensen een gans volk voor jaren in zo’n miserie kan brengen?
2. In Zaïre is er veel armoede en miserie, maar Zaïre is een hemel in vergelijking met die hier. Weigeren naar hier te komen zou een lafheid zijn. Maar voor de mensen die naar hier komen zou het wel zeer hard zijn.
Ik was blij dat het vooral onze Zaïrese confraters waren die tot die besluiten kwamen.
De volgende morgen vernamen we langs de radio dat Savimbi weigerde zijn verkiezingsnederlaag te aanvaarden. Hij begon terug met zijn oorlog. Op onze terugweg was geen enkele vrachtwagen te bespeuren om mensen te gaan halen naar Zaïre. Aan de grens was alles doods. Een paar dagen later kwamen de eerste mensen weer toe in Zaïre, op de vlucht voor de oorlog. Ze waren voor de derde keer vluchteling.
Van verschillende mensen kreeg ik de laatste tijd de volgende vraag: Jullie zeggen dat God eindeloos barmhartig is en goed. Is hij dan zo goed dat hij mensen als Savimba en Mobutu maar laat doen zelfs als daardoor ganse volkeren in de uiterste miserie raken? Is het niet beter zulke mensen gewoon dood te schieten?“ Ik laat U het antwoord.
Tot zover een beetje nieuws over Angola.
U vraagt over mijn plannen. Ik schreef dat Zaïre in vergelijking met Angola nog een hemel is. Dat wil niet zeggen dat er hier geen miserie meer is. Integendeel. Alle dagen vraagt ge u af hoe de mensen het hier nog kunnen uithouden. Mbanza-Ngungu is een dode stad sedert de plunderingen van vorig jaar. Het economisch leven herneemt niet. Voor veel mensen is het echt vechten voor een beetje dagelijks eten. Komt er iets onverwachts, ziekte, operatie... dan is het een strop.
Volgende week begint het nieuwe schooljaar. Voor de ouders is de vraag deze dagen waar kan ik het nodige vinden om de kinderen terug naar school te laten gaan? Voor veel mensen een onmogelijke zaak.
Graag wilde ik het volgend voorstel doen. Bent u akkoord dat ik een deel van het geld van de Brug gebruik om mensen te helpen waarvan een kind moet geopereerd worden en die dit niet kunnen betalen. Ik heb trouwens reeds verschillende mensen geholpen.
Graag wilde ik ook voor een vijftal jongens, of meer, het schoolgeld betalen. Niet om hogere studies te doen. Gewone jongens die hier ganse dagen rondhangen, die niets doen... Ze verlangen naar een vakschool, afdeling mechaniek, te gaan. Het is een richting waar misschien toekomst in is. Aan stielmannen heeft het land gebrek.
Twee jongens liet Ik reeds inschrijven. Schoolgeld en uitzet voor het eerste jaar komen op ongeveer 1.500 Fr.
Ik weet het is niet denderend als voorstel. Maar voor zulke kleine dingen kan men moeilijk bij grote organismen terecht..
Ik stop. Het werd een lange boterham.
Wil Aub. alle mensen van de Brug hartelijk groeten en dank aan iedereen voor de zeer milde steun die ik van hen mag ontvangen. Het ga U goed en nogmaals dank voor uw vriendelijk brief.

Correspondent: Jos Roosens

Mbanza-Ngungu - 1 april 1991

Ik heb de stortingen van De Brug ontvangen en wil daarom langs U om de Brug bedanken voor die steun.
Op Zondag hier ga ik tegen de middag naar het sanatorium met melk en sardienen als het mogelijk is. Voor een paar maand waren er tussen de 15 en de 20 man. Maar de laatste tijd is het cijfer opgelopen tot tegen de 30. Een teken van algehele achteruitgang van het land? Pater Notenboom die op dit ogenblik in België is gaf me voor zijn vertrek verschillende pakken Rimactazud 300 + Z. Dat zal daar ook wel goed te pas komen bij de TB-li jders.
Wij vragen ons nog steeds af waar we met dit land naartoe gaan. Pasen kan moeilijk een echt Verrijzenisfeest zijn in deze omstandigheden. De basisgemeenschappen van Kin gaan over 14 dagen optochten organiseren vanuit de verschillende parochies naar de verschillende dekenijen in Kin om te eisen dat de grote baas werk zou maken van de meer dan een jaar geleden beloofde democratie. Zal het wat baten? Hoe langer men uitstelt des te meer kans dat de zaak vroeg of laat helemaal uit de hand loopt. Afwachten maar.
Nogmaals mijn beste dank aan de mensen van de Brug en tot een volgend keertje.

Correspondent: Jos Roosens

Mbanza-Ngungu - 15 december 1990

De eindejaarsfeesten met Kerstmis en Nieuwjaar staan weer voor de deur en dan denkt men automatisch aan de vele vrienden en bekenden. Hopelijk maken jullie het allemaal zeer goed.
Hoe het hier gaat? Laat me even terugblikken. Begin dit jaar is Zaïre in België veel in het nieuws geweest door de brutale studentenonderdrukking in Lubumbashi. President Mobutu verbrak dan de samenwerking met België en sindsdien is het zeer kalm tussen die twee landen. In Zaïre is er echter zeer veel veranderd.
Als gevolg van de ontevredenheid van het volk hield Mobutu op 24 april een grote toespraak, waarin hij veel meer vrijheid beloofde, democratie en afschaffing van staatspartij die het volk verdrukte. Iedereen was in de hoogste hemel, maar een paar dagen later was er weer een toespraak waar de punten op de i gezet werden en teruggekrabbeld werd. De klok helemaal terugzetten kon niet meer. In de steden hebben de mensen het juk van de eenheidspartij afgeschud maar in het binnenland is wel de naam verdwenen maar eigenlijk blijft alles bij het oude zodat de bisschoppenconferentie het nodig vond die toestand aan te klagen sprekende van een democratie met twee snelheden: die van de voornaamste steden waar het volk zijn rechten opeist en in het binnenland waar er niets verandert.
Ondertussen zakt het economisch leven gewoon ineen. In juli was een frank nog 20 Zaïre waard. De lonen werden verdubbeld maar de prijzen vervierdubbelden en gaan nog alle dagen omhoog. In oktober kostte een zak van 45 rijst 27.000 Zaïre. Nu kost hij tussen 110.000 en 120.000 Zaïres. Niet te verwonderen dat er onlusten kwamen waarbij alle magazijnen geplunderd werden en waarbij doden vielen in Kinshasa en Matadi.
Op het ogenblik is het kalm maar het vuur is niet gedoofd en kan elk moment weer oplaaien. Als er met Kerstmis en Nieuwjaar geen eten is in de steden dan komen er zeker weer onlusten. Ondertussen is er al een grote betoging aangekondigd voor 4 januari, verjaardag van de opstand tegen de Belgen in 1959, zes maanden voor de onafhankelijkheid.
Wat zal het worden? We wachten af en doen voort.
Er zijn wel tekenen die ons moed geven. In augustus werden weer een paar jonge Zaïrese paters priester gewijd en kwamen er verschillende jongeren zich aanbieden om bij ons aan te sluiten.
Twee jonge Zaïrese paters werden benoemd op een zeer uitgestrekte missie in het binnenland waar het volk regelmatig bedrogen wordt door allerlei corrupte staatsambtenaren en er niemand is om hen te verdedigen. Bij hun reizen door de dorpen werden de paters onmiddellijk getroffen door die wantoestanden en dachten terug aan de cursus recht die we de laatste jaren hadden ingevoerd in het groot seminarie. Regelmatig werden mensen tot zeer zware boetes veroordeeld omdat ze het slechte lot op iemand gegooid hebben. De wet neemt zoiets niet aan en hij die iemand ervan beschuldigd moet volgens de wet zelf veroordeeld worden. Het is klaar dat die veroordelingen tegen de wet waren zoals nog vele andere. De paters lieten op het gerecht uittreksels vragen van de veroordelingen en maakten een ganse lijst van aanklachten.
Op Allerheiligen kwam toevallig de provinciegouverneur naar die missie om er een waterpomp in te huldigen. Alle ondergeschikte staatsambtenaren van de ganse streek waren tegenwoordig. De provinciegouverneur, een kristen die wel tracht iets te doen voor het volk maar dikwijls onmachtig is, zegde na de inhuldiging van de pomp dat hij naar de mis ging. Al zijn slipdragers, waarvan sommigen nooit een voet in de kerk zetten zagen zich verplicht te volgen. Dat was natuurlijk een unieke gelegenheid voor de paters. Het evangelie van Allerheiligen zegt: “Zalig die hongeren en dorsten naar gerechtigheid... Zalig die vrede brengen... Zalig die vervolgd worden omwille van de gerechtigheid...
Na de lezing van het evangelie werd die test even belicht en dan werd de lijst voorgelezen van de onrechtvaardigheden waarvan het volk regelmatig slachtoffer is. Er werd aan de provinciegouverneur gevraagd er iets aan te doen. Het was als een bliksemslag bij heldere hemel. De gouverneur wist niet goed welke houding aannemen maar vroeg onmiddellijk een kopij van de lijst van de onrechtvaardigheden waarvan het volk slachtoffer is en ook de kopijen van de rechtspraken. Het volk jubelde. Eindelijk had iemand hun rechten verdedigd. De staatsambtenaren waren echter zeer stil, ze voelden dat er iets dreigde.
Een andere jonge pater werd benoemd in een streek van de rest van de wereld afgesneden door de machtige Zaïrestroorn. Men kan er maar geraken met een oude veerboot. De verantwoordelijken van de veerboot profiteren van hun positie om telkens geld te vragen voor allerlei en nog wat redenen. De jonge pater heeft samen met enkele mensen een comité gesticht dat zelf tot bij de minister was in Kinshasa om te gaan reclameren en een andere boot te vragen. Ondertussen hebben ze de mensen bewust gemaakt geen geld meer te geven.
Dit zijn een paar kleine feitjes die ons moed geven in deze moeilijke toestanden en die ons aanmoedigen voort te doen. Voort te doen jonge mannen te vormen die in het evangelie de kracht vinden naar de gewone mens te gaan en die te helpen los te komen uit zijn miserie en verdrukking zodat voor de mensen het evangelie echt “Blijde Boodschap” wordt. Als we zo’n jonge priester kunnen vormen dan is ons werk zeker niet nutteloos. Het is de mooiste dienst die we kunnen bewijzen aan dit land en aan de kerk van hier.
Beste mensen, graag wil ik U allen nogmaals danken voor uw sympathie en steun voor ons werk hier. Ik wens U allen van ganser harte een Zalig Kerstfeest en een gelukkig jaar 1991. Moge het jullie allemaal zeer goed gaan.

Correspondent: Jos Roosens

Mbanza-Ngungu - 21 november 1990

Hartelijk dank voor uw brief en ook voor het nummer van “De Brug”
Met mij gaat alles goed. De gezondheid is uitstekend en het werk gaat naar wens.. Met het land zelf en de algemene toestand daarentegen gaat het zeer slecht.
Op 24 april van dit jaar heeft Mobutu een democratisering en een meerpartijensysteem aangekondigd. Sindsdien weet niemand meer waar men aan toe is. Officieel is alles veranderd, maar in de praktijk is daar niets van te merken. We hebben alleen de indruk dat alles geweldig verslechtert en dat er geen moeite gedaan wordt om er iets aan te doen.
Economisch vliegt het land achteruit. Rond april was de frank nog 16 zaïres waard. Nu 62. Een spiraal van inflatie als ge wilt. De prijzen volgen uiteraard. Gasolie kost aan de pomp 540 zaïres/liter, maar veel pompen willen er geen geven. Ze wachten op de nieuwe prijs van 1.000 z/l die één van de dagen in voege gaat. Ge kunt wel wat mazout krijgen als ge de man aan de pomp een zeer dikke fooi geeft.
Ondertussen zijn de lonen wel verdubbeld maar door de enorme inflatie is die verhoging onmiddellijk tenit gedaan. De prijzen zijn veel rapper gestegen dan de lonen.
In die toestand vragen wij ons af wat de toekomst gaat brengen, vooral tegen het eind van het jaar. Ondertussen is de universiteit ook nog niet heropend. Men zegt nu dat ze op 3 december terug zal geopend worden maar dat riskeert van de eerste dag een explosieve zaak te worden. De beurs van de studenten is wel verhoogd, maar de koopkracht is nog minder dan vroeger.
U begrijpt best de situatie van de gewone mens. Deze wordt onhoudbaar. De bevolking heeft een eindeloos geduld. In Europa zou dit al anders gelopen zijn..
Graag wilde ik U vragen of u zou willen voorstellen aan de Brug of ik op hen zou mogen beroep doen voor mensen aan de zelfkant van de samenleving hier. Mensen van de vierde wereld in de derde wereld.
Mensen van het sanatorium of ziekenhuis die gewoon niets te eten hebben, laat staan dat ze nodige geneesmiddelen kunnen kopen.
Ik weet dat het ni1ts denderends is als project, maar het is helpen aan echte miserie. En voor zoiets kun je elders niet terecht.
Veel groeten aan de mensen van “De Brug”.

Correspondent: Jos Roosens

Mbanza-Ngungu - 23 juni 1990

Eergisteren kreeg ik uw vriendelijke brief van 7.6.90 toe, samen met de laatste twee nummers van “De Brug”.
Daar ik de gelegenheid heb een paar brieven mee te geven naar België, vlug dit antwoordje.
Dank voor uw brief en vooral voor de attentie een foto van mijn moeder mee te sturen. Dat deed me echt plezier. Dank ook wat U over haar schrijft en omdat u regelmatig een klein bezoekje brengt. Ik voel het aan alsof U dat in mijn plaats doet.
Een paar weken geleden kreeg ik een brief van Paula Ansoms en die vroeg of’ ‘‘De Brug” goed aankomt. Ik antwoordde haar dat dit al lang geleden was. Nu kreeg ik de twee laatste nummers.
Hoe het verder hier gaat ? Wel, u zult de situatie in Zaïre ook wel een beetje volgen langs radio en TV en zien wal er allemaal gebeurt. Het grote punt is Lumbumbashi. Officieel heeft men eerst alles ontkend en nu neemt men aan dat er één dode was. Het volk is verontwaardigd en heeft helemaal geen vertrouwen meer in de leiders. Nu zijn de relaties met België weer vertroebeld omwille van deze zaak. Hopelijk laat België zich niet teveel doen en hoeden zij een beetje voet bij stuk.
Zaïre durft handelen tegenover België, dat een klein land is, tegenover Amerika of Frankrijk durven ze nooit iets zeggen. We zijn de crisissen al een beet.ie gewoon en nemen het met een korreltje zout.
We vinden het wel goed dat België er zo op stond dat er klaarheid kwam in de zaak van Lumbumbashi, anders ware het gewoon in de vergeethoek gestopt en het volk hier, niet tegenstaande zogezegde persvrijheid en vrijheid van uitdrukking, zou niets durven zeggen hebben.
Op zondag 5 oogst hebben we in het bisdom 10 priesterwijdingen. Acht: priesters van het bisdom en twee redemptoristen. Dat zijn dan weer dagen die moed geven. In september zijn er dan weer een paar die hun geloften afleggen en aan de lange weg beginnen van het priesterschap.
Ik ga stoppen. Wil veel groeten doen aan al de mensen van “De Brug” Ik schrijf later over een project.
Veel groeten ook aan uw familie en tot een volgende keer.

Correspondent: Jos Roosens

Mbanza-Ngungu - 16 juni 1990

Beste dank voor uw brief die vorige week toekwam. U vraagt of het boekje van de Brug regelmatig toekomt. Ik weet wel niet hoe dikwijls het verstuurd wordt. We kunnen alleen maar zeggen dat er de laatste tijd zeer weinig brieven en tijdschriften toekomen. We trachten zelf onze brieven zoveel mogelijk mee te geven met mensen die naar België vertrekken om zeker te zijn dat ze toekomen. Het idee om het boekje met pater Brughmans mee te geven is misschien niet slecht. Dan komt het zeker toe.
Hoe het hier gaat is moeilijk te zeggen. Vorige maand hebben we hier ook een betoging gehad Op een paar honderd meter van hier ligt een campus en na de paasvakantie organiseerden de studenten een mars van medeleven met de studenten van Lubumbashi. Ze kwamen hier bij ons zingend voorbij maar 100 m verder liep het uit de hand. Werkloze jongeren van de cité voegden zich bij hen en dan werd er verwoest. De bedoeling van de studenten was alle leerlingen van middelbare en lagere scholen te doen mee opstappen. Er zijn hier heel wat scholen. De jongens van de cité begonnen verwoestingen aan te richten in de scholen. Verschillende van onze scholen hebben heel wat schade, maar een privé-school van een volksvertegenwoordiger werd grondig verwoest. Dat is wel een beetje te begrijpen. Er zijn hier ook twee grote militaire kampen. De soldaten van een kamp werden dan uitgestuurd om de studenten tegen te houden. De soldaten hebben dan natuurlijk ook van de gelegenheid gebruik gemaakt om wat studenten af te ranselen en in de huizen van de mensen te plunderen. De studenten zijn dan gevlucht. Ze vreesden dat hen iets zou overkomen zoals in Lubumbashi. Nu sedert twee weken is alles weer normaal hier. Deze morgen is er echter weer iets. Gans de cité zit vol militairen en deze keer hebben ze geweren bij (de vorige keer hadden ze alleen voetzoekers bij wat veel lawaai maakt). Die geweren is eigenlijk niet erg want iedereen weet dat de militairen sedert maanden ontwapend zijn. Ze hebben wel wapens maar alle munitie is weg genomen uit de kampen zodat ze eigenlijk niets kunnen doen.
Men vertelt juist dat men de studenten van Kin verwacht die hier komen betogen (?) omdat er hier cursus gegeven wordt. Er zouden 1500 studenten op weg zijn. De soldaten moeten die mannen tegenhouden. Het zal wel niets zijn want het is al de derde keer dat men dat zegt en de vorige keren was het niets. In Kin, waar ik enige jaren was, daar ligt ons huis vlak bij Lovanium en daar hebben ze al verschillende keren in de problemen gezeten. Een paar keer zijn de studenten o.a. door ons perceel gevlucht.
Ondertussen blijft men hier officieel zeggen dat er in Lubumbashi eigenlijk niet veel geweest is. Alleen studenten onder elkaar zouden gevochten hebben. De gouverneur van Shaba is 2 dagen op de TV geweest om uit te leggen dat er eigenlijk niets geweest is. Zijn redenering is de volgende: hier gebeuren dodenwaken en begrafenissen altijd met veel volkstoeloop. De laatste weken zijn er geen speciale begrafenissen geweest in Lubu, dus zijn er geen doden geweest. Zo simpel is dat. De man is deze week verplaatst naar een andere provincie De nationale radio en TV hebben hier alle geloofwaardigheid verloren. Iedereen luistert naar vreemde zenders, vooral naar Frankrijk en Amerika. Nog vele groeten.

Correspondent: Paula Ansoms

Mbanza-Ngungu - 15 april 1989

Een paar dagen geleden kreeg ik bijgaand rekeninguittreksel zonder verder commentaar. Ik veronderstel dat deze stortingen van “de Brug” kwamen. Graag zeg ik u van ganser harte dank en wilde u vragen ook de andere mensen van “de Brug” oprecht te danken in mijn naam en in deze van de marginalen hier voor wie het een kleine hulp kan betekenen.
De laatste maanden hier zijn zeer druk geweest. Op 22 januari, hadden we de wijding van de eerste 5 Zaïrese redemptoristen. Dit bracht natuurlijk veel met zich mee. De generale overste van Rome was hier aanwezig en na de wijding hebben we enkele dagen vergaderd met confraters uit Zaïre, Spanje en België. De bedoeling was om samen te zien waar we in de toekomst met de opleiding naartoe willen. Er zijn zeer vele noden, maar bepaalde zaken zijn ook absoluut noodzakelijk.
Daarna hebben we in Harara, Zimbabwe 10 dagen vergadering gehad met de oversten van verschillende Afrikaanse landen. Daar zijn we tot de conclusie gekomen dat onze confraters in Zuid-Amerika en Azië zeer geëngageerd zijn in de strijd voor rechtvaardigheid en vrede. Op dat gebied gebeurt er in Afrika zeer weinig, al evolueren zeer veel regimes regelrecht naar systemen zoals die staan in Z-Amerika. Op dat gebied is nog zeer veel werk te doen. We moeten eerst zelf bewust gemaakt worden. Daarom is besloten, volgend jaar hier in Kin, een sessie te beleggen voor de verantwoordelijken van de vormingshuizen van de redemptoristen in verschillende Afrikaanse landen. De sessie wordt geleid door iemand van Rechtvaardigheid en Vrede van een ander werelddeel. Alle deelnemers moeten eerst gedurende 10 dagen gaan leven in een zeer concrete situatie, in een ander land waar paters werkzaam zijn tussen verdrukten. Het wordt natuurlijk een hele organisatie. Zo hopen we een bewustmaking te bewerken bij de verantwoordelijken die op hun beurt anderen kunnen aansteken. Het is een optie die gedaan wordt en die natuurlijk zijn gevaren meebrengt. Zolang men gewoon bij de sacramenten blijft riskeert men niet veel, naar als men begint met het evangelie van Rechtvaardigheid en Vrede, betreedt men terreinen waar staatshoofden zeer gevoelig zijn. Maar dat mag geen reden zijn om zich te onthouden.
Nogmaals mijn beste dank en vele groeten

Correspondent: Jos Roosens

Mbanza-Ngungu - 4 december 1988

In een brief van 4.12 schrijft Gaston in ver band met de Belgisch-Zaïrese problemen het volgende:
Op dit ogenblik is het een beetje ruzie tussen België en Zaïre omdat men in België een beetje te luid gezegd heeft dat de mensen van de top hier zakkenvullers zijn en veel bezittingen hebben in België. De grote mannen hier zijn op hun tenen getrapt en nu moet zogezegd iedere Zaïrees die bezittingen heeft in België deze voor het einde van de maand verkopen. Zo ver zal het wel niet komen, want de Zaïrezen zijn kampioenen in het omzeilen van zulke wetten. Trouwens, hier wordt de soep nooit zo heet gegeten als ze wordt opgediend. Het volk hier is verontwaardigd zegt men. De zaak kan het volk eigenlijk niets schelen. Ze hebben wel wat pret, want er werd altijd gezegd dat de mannen aan de top niet veel hadden en nu moeten ze ineens hun zaken in België verkopen of naar andere landen brengen. Hoe komen ze ineens aan al die bezittingen. Er klopt ergens iets niet. Velen zijn blij dat eindelijk de zaak eens wordt aangeklaagd. Wij trouwens ook. Natuurlijk ondervinden wij hier dikwijls moeilijkheden als de relaties met België niet al te best zijn, maar in dit geval nemen we dat er graag bij. Natuurlijk is het voor de Belgen die zaken doen met Zaïre ook een beetje moeilijker nu. Maar er is toch een tijd dat de waarheid eens mag gezegd worden.
Ziehier mijn projectvoorstel voor volgend jaar:
In Mbanza—Ngungu hier is een sanatorium. Er zijn dokters, maar geen geneesmiddelen. Die moeten de zieken zelf zien te kopen. Dit is dikwijls zeer lastig en ze kopen een klein beetje zodat ze na een tijdje resistent worden aan de eerste behandeling met strepto… Zo komen ze terecht bij de TBC-lijders van de tweede lijn. Deze behandeling duurt 6 maand en is zeer duur en komt op 8.700 Fr. Een gewone zieke kan dat gewoonlijk niet betalen. Daar we de dokter goed kennen, stuurt die af en toe een geval naar ons om hulp te vragen. Dit trachten we te doen waar het kan. Voorrang geven we aan moeders met kinderen.
Graag had ik beroep gedaan op “De Brug” om enige van die gevallen te helpen. Het is geen donderend project waarvoor ik steun vraag, het zijn mensen aan de zelfkant van de maatschappij die nergens terecht kunnen.

Correspondent: Jan Van Esbroeck

Mbanza-Ngungu - 10 november 1988

Ik raak zo stilaan gerodeerd in mijn nieuwe taak. Het brengt wel veel gereis mee en dat is in Zaïre niet altijd het aangenaamste wat ge kunt doen.
De jongeren waar ik vroeger mee bezig was, krijgen nu nog veel van mijn tijd. Officieel ben ik op mijn vorige plaats nooit vervangen, gebrek aan personeel.
Vandaag is het juist 25 jaar geleden dat ik de eerste keer toekwam in wat toen Congo heette. We waren toen nog met meer dan 90 Belgische redemptoristen. Een jaar geleden waren we nog met 36 en nu officieel nog met 22. Het wordt steeds zwaarder en zwaarder, want het werk vermindert niet. Doch leven we met hoop want op 22.1.89 worden onze eerste 5 Zaïrese confraters gewijd. Daarna zullen er regelmatig een paar volgen.
Ik weet wel dat sommigen zich afvragen of we geen “nuttiger” werk kunnen doen dan priesters op te leiden. Tien jaar geleden hebben we met een paar man daar bewust voor gekozen en ons daar ook voor vrij gemaakt. Ik ben er nog altijd van overtuigd dat het één van dé nuttigste dingen is die we kunnen doenvoor de toekomst van het land hier. Als het onderwijs of de medische dienst nog een beetje marcheert in het binnenland, dan is dit dank zij de missie. Met is het enige organisme dat iets doet voor de kleine man in het binnenland en in de cités van de grote steden. Ze leven dicht bij de mensen. Dat weten de Zaïrese autoriteiten ook zeer goed. Vijftien jaar geleden hebben ze de scholen genationaliseerd en het is een groot fiasco geworden. Plannen om de medische diensten ook te nationaliseren hebben ze maar vlug terug in de schuif gestoken. Daarna wilden ze het onderwijs terug geven omdat ze er niet. Aan uit konden. Met kwaad was echter geschied. Veel mensen die in het onderwijs gestaan hebben, hebben zich elders geëngageerd. Alles wat in de loop der jaren werd genationaliseerd werd een puinhoop. Nu heeft iedereen er de mond van vol dat de kleine man moet geholpen worden; de kleine landbouwer in het binnenland. Maar wie is er echt begaan met de mensen in het binnenland en wie kent de noden en tracht er iets aan te doen? De missionaris. Werk voor goede opvolgers is werken naar de toekomst.
Officieel preekt men in Zaïre reeds jaren de revolutie. Elk jaar krijgen we onze portie discours en nieuwe slogans die iedereen filosofisch over zich heen laat gaan. De inflatie van het woord is al even groot als de inflatie van de munt. Niettegenstaande die redevoeringen zakt het land steeds verder weg en worden de rijken hier steeds rijker. De enige oplossing is een omwenteling maar die moet van onderuit komen. Men moet aan bewustmaking doen aan de basis, bij het gewone volk opdat het eens in beweging zou komen. Daar is een grote taak weggelegd voor de jonge confraters. Het zal een werk van zeer lange adem zijn, maar het is de enige weg en daar wil ik aan meehelpen om die mannen te vormen.
Ondertussen heeft Zaïre het bezoek gehad van eerste minister Martens. Gaat de gewone man iets voelen van de kwijtschelding of herschikking van de schulden? Naar het schijnt zou het aantal dikbetaalde Belgische coöperanten fel geminderd worden. Na een ontmoeting met de missionarissen in Kisangani vroeg iemand van zijn gevolg aan Martens of het geen tijd werd dat er iets gedaan werd voor de missionarissen en vrijwillige ontwikkelingshelpers die tussen het volk leven. Mr. Martens gaf toe dat het wel tijd werd en dat hij dit in de ministerraad zou voorleggen. Daar zal het clan wel een politiek kleurke krijgen en doorgewezen worden naar één of ander studiecommissie.
Iemand uit het gevolg van Martens, maar die hier nog een paar dagen bleef, maakte gisteren de volgende bemerking: de eerste blanken die hier in Congo tot in de verste uithoeken doordrongen, waren missionarissen. De laatsten die hier zullen blijven, zullen ook wel missionarissen zijn.

Correspondent: Jan Van Esbroeck

Mbanza-Ngungu - 5 januari 1987

Sedert oktober ben ik terug in het oude vertrouwde Kinshasa waarna zo’n drie maanden een hoop werkstond te wachten. In onze gemeenschap waren enige nieuwe gezichten bijgekomen en enige anderen waren verhuisd naar de andere kant van Kinshasa op zo’n 15 km van hier. We hebben ons in 2 2 groepen gesplitst. Hier leven we met 11j jongeren die filosofie studeren en aan de andere kant van Kin zitten 2 andere paters met 9 jongeren voor theologiestudies. Als alles meevalt zullen over 2 jaar de eerste 2 gewijd worden. Afwachten wat het gaat worden met die eerste redemptoristen. In het bisdom Matadi waar we tot voor een paar jaar verantwoordelijk waren, werken reeds een 50 tal inlandse diocesane priesters, maar met onze jongens zouden we toch graag een beetje een andere toer opgaan, ergens een teken zijn en een beetje strijd aanbinden met de verdrukking en corruptie waar de Zaïrese maatschappij zo ziek aan is.
Naar het schijnt was president Mobutu de voorbije dagen weer in België en andere Europese landen om de toestand hier uit de doeken te doen en begrip te vragen.
Feit is dat ze hier de voorbije maanden en jaren de broeksriem geweldig hebben moeten bijtrekken omwille van de financiële sanering geëist door de wereldbank. Toen ik begin juli naar België kwam kreeg men voor 100 Bf nog 80 zaires. Nu krijgt men door diezelfde 100 Bf reeds 220 zaires. De prijzen van veel artikelen schommelen dan ook geweldig. Alleen de lonen blijven geweldig stabiel.
De koopkracht van de mensen verzwakt dan ook geweldig. Het mirakel var Kinshasa duurt steeds voort: van wat leven die mensen hier? Hoe blijven ze in leven? Hoe komt het dat er geen reactie komt? Bij al die ellende heeft zich nu nog een ander spookbeeld gevoegd: de SIDA of AIDS zoals jullie zeggen, geloof ik. Officieel wordt er niet veel over gezegd, maar het wordt een ramp. Bij een onderzoek door de TV hier met nieuwjaar naar de droevigste gebeurtenis van 86 zei een meisje op TV dat het zeker de SIDA was. Ge weet gewoon niet meer wie het heeft en wie het niet heeft. Het is mogelijk dat de jongen of’ het meisje naast u of’ iemand van de familie het heeft. Wanneer kun je je nog veilig voelen? Hier is het een uitgemaakte zaak dat het niets met homoseksualiteit te maken heeft, hier toch niet.
Het grote vraagteken hier is: wordt het wel of’ niet overgezet door de malariamug.die hier zo welig tiert? Indien ja, dan kan dat misschien helpen uitleggen hoe het zich hier zo uitbreidt, maar dan wordt het natuurlijk een zeer gevaarlijke zaak. Feit is dat de mensen reeds zeer goed de symptomen beginnen te kennen: zeer zware buikloop, vlug vermageren en na een tijdje huidaandoeningen. Bij de een gaat het rapper dan bij de ander, maar men treft gevallen in alle lagen van de bevolking. Persoonlijk ken ik zes gevallen waarvan de dokters zelf zegden dat het zo was.
Zo een arme sukkel uit de wijk hier die wekelijks kwam vragen of hij niet wat groenten en fruit voor ons mocht gaan zoeken om zo iets te verdienen. Ik had hem reeds verschillende keren laten verzorgen voor een dysenterie die zogezegd veroorzaakt was door amoeben, een ingewandenparasiet. Toen ik in oktober terug kwam had hij weer buikloop en was nog magerder dan vroeger. We stuurden hem naar een groot hospitaal in Kin. Een dokter vertelde ons wat de man eigenlijk had en dat er niets aan te doen was. Een paar dagen later was hij dood. Die man heeft er verschillende jaren mee rondgelopen. Een week tevoren had hij hier nog een tijdje bij mij gezeten. Dan wordt AIDS geen sensatieziekte uit de dagbladen meer, maar iets heel concreets.
Ondertussen schijnt iedereen hier nog goede eetlust te hebben. We zullen dan maar rustig voortdoen. Tot daar dit eerste klein briefje. Allerbeste groeten aan de mensen van ‘De Brug” en tot een volgende keer.

Correspondent: Jan Van Esbroeck